Siblog 77: De gevallen vriend

Mijn vriend uit Zwolle is van zijn fiets gevallen en heeft zijn heup gebroken. Ik neem de trein naar Zwolle, waar hij revalideert op een landgoed aan de rand van de stad, Vooraf spreek ik hem over de telefoon: ‘Ik moet zes weken plat, soms kan ik in een rolstoel rondgereden worden.’ Hoe kom je de tijd door, wil ik weten. Veel lezen, zegt hij. Daar is hij nu zo’n twaalf dagen mee bezig. De reis naar die plek in Zwolle duurt ruim twee uur en ik bereid die dan ook voor als een expeditie. Brood mee, De kunst van het nietsdoen en de laatste uitgave van Onze Taal mee.

Ik typ dit. En ik kijk uit het raam. Geboomte: loof en den, een pad langs de rails. Kort geleden aangelegd denk ik, oude maar dunne stammen langs de zoom. Ik denk ook na over mezelf. Van wie ben ik? Ik ben van mezelf, of tijdelijk geleased aan het universum. Dat ik van niemand ben kan ook. En waarom zou ik zo over mezelf denken, in termen van bezit? Het is niet nodig. Het bezittelijk denken is dominant: hebben, niet zijn. Ik lees veel, thuis lees ik het boekje van Roxane van Iperen, Ik zie wat ik geloof. Zij beschrijft hoe gewelddadig de kolonisatie van onze eigen identiteit door sociale media is en hoe dat ertoe leidt dat we steeds minder lezen. De hebberigheid van Big Tech, het is somberend. Het spiegelt jezelf algoritmisch en ze hebben daar een verdienmodel van gemaakt. Is deze blog ook een verdienmodel? Over vijf minuten zijn we er al. De Veluwe maakt plaats voor weideland met coulissen. Ondertußen moet ik steeds nodigerder piesen. Ik zie de IJssel. Ik plas tegen betaling op het station.

Dit is de bushalte en hier komt lijn zes over een kwartier aan. Een gezin met een dochtertje van zo’n zes jaar wordt door een RRReismedewerkster gewezen op lijn 13. ‘Vertrekt over een minuut ‘, zegt ze. De chauffeur in de verte ziet dat anders. Het gezin is nog niet halverwege of de bus vertrekt al. De medewerkster verandert in een held. Ze werpt zich voor de bus en wordt er net niet door geraakt (pesterij van de chauffeur). ‘Gevaarlijk beroep hebt u’, zeg ik. Ja, zegt ze, de chauffeur vond het niet leuk. Maar ja, te vroeg vertrokken. Het gezin haalt lijn 13 dus. Eenmaal in de bus kunnen ze hun chipkaart niet vinden (de medewerkster maakt dit niet meer mee, maar ik zie een zoete wraak). Nog meer vertraging voor de chauffeur die nu helemaal niet meer op tijd achter de aardappels zit. Eenmaal in lijn zes weet ik niet wat ik moet vinden van buschauffeurs die hun eigen muziek hoorbaar opzetten. Mag dat? Heb ik er last van? In mijn bus staat Yesterday van de Beatles zachtjes op. Een golfje nostalgie doortrekt me.

Het landhuis is typerend voor dit soort instellingen. Rust, reinheid en regelmaat achter een sjieke gevel. Binnen schuifelen vooral oudere patiënten zachtkens voorbij. In de lange gang kan ik kamer 10 niet meteen vinden (rechts gaat 8 over in 11) en de verpleging die in de gang kletsend pauze zit te houden, merkt mij niet op ondanks dat ik verschillende malen zoekend langsloop. Service alleen tijdens werktijd. Ik vraag het en klop links aan. Mijn goede vrind zit al in zijn rolstoel klaar om een wandeling te maken. Maar eerst geef ik hem een cadeau voor zijn zeventigste verjaardag, Soldaat-hovenier, een magistraal stripverhaal dat speelt in de Eerste Wereldoorlog. in zijn rolstoel. Daar is hij blij mee, want ‘saai is het hier wel’. Buiten gekomen bloeit de vogelaar in hem meteen op. In het paradijselijke park aangelegd in Engelse landschapsstijl zien we een ijsvogel en horen merel, zanglijster, roodborst en pimpelmees. Hij suggereert dat ik de Merlin vogelapp ook op mijn mobiel installeer. De rolstoel is zwaar en het bospad hier en daar nat. Maar de inspanning is goed voor mijn lijf., en we praten lekker bij. We bezegelen onze ontmoeting met een bakkie troost en een dikke plak cake. Jur is dankbaar en ik heb er een Zwolsch avontuur bij. En dan ga ik weer. De eerstvolgende bus rijdt in de verte voorbij: gemist. Ik geniet van de groene lentekou en schaaf nog even aan dit blog. Wachten bestaat niet. Terug in de bus is het repertoire romantisch Nederlandstalig, met voorspelbare rijmelarij. Niet mijn smaak.

En dan ga ik weer. De eerstvolgende bus rijdt in de verte voorbij: gemist. Ik geniet van de groene lentekou en schaaf nog even aan dit blog. Wachten bestaat niet. Terug in de bus is het repertoire romantisch Nederlandstalig, met voorspelbare rijmelarij. Niet mijn smaak. Terug in de trein lees ik in Onze taal over positieve affirmaties: zinnetjes die je helpen negatieve oordelen positief te beïnvloeden. Die bevestigingen lijken dus wel te werken, maar ze vragen ook een flink doorzettingsvermogen. Blijf deze mantra dus herhalen, vriend: “mijn heup wordt beter”. Religieritueel zonder dominee.

Siblog 76: Moederdag en wind tegen

Het is Moederdag. Ik verwen Cornelia flink, onder andere met een braadspuit, waarmee je kookvocht uit bv. een kip kunt halen om het weer over de kip te spuiten. Het is vandaag een van die prachtige lentedagen: veel zon en een windje. Ik voer een idee uit dat ik allang in mijn hoofd heb. Met de fiets op de trein en dan terugfietsen. De bestemming vandaag is Gouda. Daar ga ik naar kringloopwinkel Rataplan en dan fiets ik terug via Woerden, waar ik nog een Rataplan bezoek. Hun kringloopwinkels hebben een groot en divers assortiment en ze zijn op zondag open. De sprinter schommelt heen en weer en dat typt lastig, vooral omdat ik sinds kort de aanvulfunctie heb uitgezet. Dan ben ik van die lastige apparaatsuggesties af die soms leiden tot onzinnige woorden, die je dan weer moet corrigeren. Ik corrigeer liever mezelf. Het bevalt me goed om weer precies te moeten schrijven zoals op een typemachine vroeger.

Het fietsgedeelte is in het midden van de trein en er staan al twee fatbikers met hun voertuig. Ik weet nog steeds niet waarom zij zo in mijn allergiezone zitten. De mensen op de fatbikes zijn Chinees of Japans en zeer vriendelijk. Ze maken netjes plaats voor mij & mn fiets. Ik zet hem vast met een spin en ga er lekker naast zitten. Lekker zo’n dagkaart voor de fiets. Ik praat erover met de conducteur en leer dat hij de hele dag geldig is en je dus indien nodig mooi heen en terug kunt. Dat doe ik dus niet, is het plan.

Vroeger noemden we een Sprinter een boemeltje of een stoptrein, wat denigrerende termen. Vanuit marketingoogpunt is Sprinter natuurlijk briljant gekozen. Het suggereert snelheid maar het blijft natuurlijk gewoon een trage trein.
De wind van Gouda naar Woerden is noord en een windje is het niet meer. Flink trappen dus. Prachtige weidegebieden met sliertende sloten, hengelende visdiefjes en tussen boterbloemen grazende paarden. Doet me denken aan mijn aloude fietsvakanties – fijn om een lijf in de wind te zijn.

Razende renners zijn er ook. Sommige zijn uitslovers met fel gekleurde tricotjes en martiale stemmen die ’tegenligger’ roepen. Maar er is dus ook die vriendelijke renner die goedemiddag zegt en mijn strijd met de wind begrijpt. Ik fiets langs de Oude Rijn tussen Bodegraven en Woerden en ik lees de namen van de boten: Amigo, Makker en Verwend (dat heb ik vanochtend met Cornelia gedaan). Verwend is als boot trouwens een behoorlijk beschimmelde bak.

Ik rijd door een dorpje waarvan ik de naam niet weet doordat ik steeds langs de rivier fiets. Ik vraag het aan een man die kennelijk naar zijn huis wandelt. Het blijkt Nieuwerbrug. Hij wijst een ophaalbrug in de verte aan. De enige brug met tolheffing in Nederland, zegt hij. Heeft hij ook een boot (ik wel, bedenk ik)? Nee: veel werk, je zit er behoorlijk aan vast, zegt hij. Klopt, beaam ik. De liefkozende namen zoals Amigo verhullen dat een boot veel werk is, zo beaamt ook Arie (en ik).

Ik zit nu aan een bekertje warme chocola in Rataplan Woerden. Even recupereren zoals dat in wielertermen heet. Maar ook.moet ik besluiten of ik de trein neem naar huis, of toch ga fietsen. Ik ben al aan de late kant en de moederzoom met de Cody’s ga ik toch niet meer halen. Nog even doorbeuken? Ja, het wordt doorbeuken. En ik haal de moederdagzoom ook nog.